Nieuwe bouwen van TNO te idealistisch
Dit TNO-rapport ‘het Nieuwe Bouwen’ schetst wel een heel idealistisch beeld van de toekomstige bouwsamenleving. Het stuk gaat niet in op de conclusies van het bouwfraudeonderzoek, maar wil los daarvan bestaande processen verbeteren.
Het rapport gaat ervan uit dat opdrachtgevers en bouwers samen een project realiseren. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de planontwikkeling en de feitelijke realisatie. Met die realisatie wordt voor de bouwer een zo hoog mogelijk rendement beoogd (winst) en voor de opdrachtgever zoveel mogelijk toegevoegde waarde (meerwaarde). De grafische presentatie van deze elementen is heel aardig. Dat partijen tegenstrijdige belangen hebben, wordt gemakshalve vergeten. Wat de een voornamelijk ziet als een kostenpost, is voor de ander een bron van inkomsten. Het TNO-rapport suggereert dat elk project iedere keer weer van scope verandert met een ander concept tot gevolg, waardoor er totaal iets anders wordt gemaakt dan oorspronkelijk beoogd. Behoudens grote, voornamelijk infrastructurele, projecten is dat zeker niet het geval. Althans niet zodanig dat dit ernstige gevolgen heeft. Zowel bij de klassieke aanbesteding als bij de design & constructopdrachten heeft een opdrachtgever zijn vraag zorgvuldig gespecificeerd. Daar zijn elke dag duizenden bouwmanagers en kostendeskundigen mee in de weer, tot volle tevredenheid van honderden opdrachtgevers. De projectscope kan binnen die projecten wel veranderen, wat invloed heeft op het concept. Maar dit speelt alleen maar een rol tijdens het ontwerp, waar nog erg vaak geen bouwer bij aanwezig is. Zodra stukken aanbestedingsgereed zijn is dat het product dat de uitvoerende partij dient te realiseren. De suggestie dat de vraag van de opdrachtgever, het bestek en de tekeningen, niet correct zijn, is dus niet waar. Wel kan het zijn dat de kwaliteit van deze stukken niet 100 procent volledig is. Dat heeft echter niets met de projectscope te maken.
Selecteren Helemaal onbegrijpelijk is het idee dat de beginvraag een openingsbod is, terwijl juist het (maximale) budget voor de opdrachtgever een houvast is. Dat budget is ingegeven door bedrijfseconomische of andere randvoorwaarden die niet zomaar veranderen. Het streven moet altijd zijn een project te ontwikkelen tegen vooraf vastgestelde specificaties en budget. Scopeveranderingen in de voorfase kunnen leiden tot andere concepten, maar dan ook tot andere budgetten. Maar zelfs dan zal het ontwerpteam de vraagspecificatie voor de aannemer helemaal uitwerken. Bij scopeveranderingen tijdens de uitvoering is er sprake van meer en/of minder werk. Dat dit dan meer moeite kost om een nieuw budget op te stellen dan in de voorfase, spreekt voor zich. Dat de aannemer dan betrokken wordt bij het bepalen van de alternatieve mogelijkheden spreekt ook voor zich. Het TNO-rapport noemt de volgende hoofdelementen, samen ‘Het Nieuwe Bouwproces’ genoemd: het nieuwe vragen, het nieuwe aanbieden en het nieuwe samenwerken. Naast de eerder genoemde merkwaardige zinsneden komen hier ook een aantal suggesties naar voren die wel het overwegen waard zijn, zoals: het selecteren van een aannemer op procesbeheersing en expertise in plaats van alleen op de prijs selecteren; de aannemer de gelegenheid geven met alternatieven te komen; de prijs beoordelen op basis van levensduurkosten en de aannemer voor het onderhoud laten zorgdragen. Aan het einde van dit rapport is de indruk ontstaan dat voor de hele grote projecten in Nederland (Betuweroute en hogesnelheidslijnen) een aantal handreikingen wordt gedaan. Voor het overgrote deel van de werken in Nederland voegt het rapport te weinig toe. Waar wij het van harte mee eens kunnen zijn, is het voorstel om een nationaal onderzoeks- en actieprogramma in te stellen wat het aanbestedingsproces onder de loep neemt. Eerder genoemde suggesties zijn zeker het overwegen waard. Wij willen daarin graag participeren.
David Meijer, voorzitter van de Nederlandse vereniging van bouwkostendeskundigen, kostendeskundige bij de Brink Groep.
1:35:51 PM
|
|